Wanneer ik denk aan de tijden waarop jij en ik ooit wij waren dan komen er enkel losse flarden van herinneringen in mijn gedachten. De ene zijn al wat waziger dan de anderen, maar ze zijn er. Ze zijn onmogelijk om uit te wissen, onmogelijk om te onderdrukken.

Het eerste beeld dat ik van je heb is met je vrienden. In een donkere zaal, een fuif zoals er zoveel zijn, de spots die je verblinden en de rook waardoor je niet kon kijken. Ik draaide me om en daar was je gezicht plots. Ik kan me nog herinneren dat ik me verslikte in mijn wodka-burn en dat mijn vriendin dan bezorgd naar me keek. Ik ga nu niet oversentimenteel doen en zeggen dat het liefde op het eerste gezicht was, want dat was het niet. Onze eerste kus was niet omdat ik het niet meer uithield van verlangen om je lippen te kussen. Het was omdat die vriend van je zolang had gezeurd dat ik je moest kussen dat ik het niet meer uithield en je dan maar kuste. Ik weet nog dat mijn vriendinnen zaten te zeggen dat ik al mijn punten had en me om de hals vlogen. Ook dat mijn beste vriendin je naam vroeg en dat mijn naam in de jouwe zat. Net zoals ik nog weet dat die vriend van je steeds onze namen zei.
Die avond was misschien een van de beste uit mijn leven. Ieder moment kan ik me bijna nog herinneren, van onze eerste kus tot de afscheidskus die je me gaf.

De eerstvolgende zijn er in school. De ontmoeting terwijl je vrienden erbij waren, dat we alle twee niet wisten wat te zeggen omdat je vrienden er waren. Het naar elkaar glimlachen in de gang, het nog eens over je schouder kijken of de ander nog keek en dan lachend voor je kijken omdat je zag dat die ene ook over zijn schouder keek. De toevallige gesprekken op de trap waar we zoveel, maar toch zo weinig zeiden.

Dan kwam er die afspraak die zaterdag. Het was maar een uurtje dat ik je zag, toch betekende dat ene uurtje meer dan sommige dagen bij elkaar geteld. Het was alsof het magie was, we vertelden elkaar zoveel. Het was alsof ik alles aan je kwijt kon en dat het praten vanzelf ging. Dat ik me voor niets hoefde te schamen, dat jij door alles voor mij zou kiezen.

Ik kan nog duizenden momenten opnoemen waaraan ik herinnerd wordt bij jou.

Op zo’n moment dan vraag ik me af.

Zijn ‘wij’ ooit wel gestopt met bestaan?