It was nothing, absolutely nothing. I know you don’t believe me, but I’ll try to explain. Well maybe it was something, but it definitely wasn’t love. I wasn’t in love with him or anything like that, even though I probably made you believe I was. I made myself believe I was. You know, he’s sweet, kind, gentle, caring, funny and somehow just adorable – like a big teddy bear. He likes to talk. People like him. He can get along with almost everybody. I know him, he knows me. We don’t talk very often, but that’s probably my fault. My insecurity prevents me from talking a lot to people, including him. We’ve known each other for about three or four years now. I always liked his smile. His smile is just so sweet. When I look at him and he smiles at me I can’t do anything but smile back. But.. does that make me love him? Do I love him? I suppose not. I don’t think I ever really was in love with him or even liked him in such a way. I know it sounds strange, but I’ll try to explain. I always wanted somebody to love. I wanted to feel loved. It felt like life was meaningless without someone to love – I think you know the feeling. Anyway, I wanted someone to love. And then there he was. He, with his cute smile. I think I knew his name before he knew mine, but I never really looked at him that way. And then somehow fate brought us together. Well okay, not together, but closer. He smiled at me when he saw me – just like he smiled at everybody else, but it felt special. I wanted it to feel special, so it did. I wanted to fall in love with him and I thought I did. And most of all I wanted him to fall in love with me. I wanted someone to hold, to love. Somehow I believed he could be that someone. Of course he wasn’t. Of course he wasn’t in love with me. I never really decided to tell him how I felt about him. I didn’t dare to tell him. I never told anyone. I was ashamed of my feelings and I never wanted him to find out. I’ve cried way too many tears over him. I never wanted to tell him anything cause I knew he didn’t love me back. I just knew. I felt about 99% sure that there was nothing going on between us, but yet that 1% kept me hanging on. Now I realize there was never really anything going on between us. You can’t even really call it friendship. It’s not that he hates me, but.. I don’t know. I accepted the fact that there was nothing between us. I had to. But somehow it always felt like he was special to me. When I had a problem or something like that, he was the one I wanted to talk to. I wanted to tell him everything. I wanted to tell him about my feelings. I never did. I told some of my problems to other people, but they could never really help me. And maybe it was because I didn’t tell them enough. They said these things, which where probably true..but it didn’t help me. I couldn’t believe the things they said. They didn’t really make me feel better. And I know that if he would’ve said exactly the same things; it would’ve helped me. He could’ve made me feel all right, he really could – and maybe he still can. I just wanted him to listen to me, to hold me. That would make everything all right. I try not to believe that anymore. It just felt that way, it wasn’t really true. I wanted to believe it. I still want to believe it? I wanted to believe he was special to me. I wanted to believe he was the one; the one who would love me. Of course he wasn’t. I only thought he was. And maybe he was, inside my head, in my dreams. He definitely wasn’t in real life. We were never close, we never really talked. So I tried to get over him, but he kept showing up in my dreams. Sometimes he still does. I don’t have the strength to push him away. I love those dreams, even though I think I shouldn’t. They always make me feel good – even if it’s just for a short moment. But then when I wake up I realize it was just a dream. Again. And it will happen again, and again. I know I’m not in love with him. I do know now. But every now and then I just try to forget that, cause those thoughts about him comfort me. I just hope that someday I’ll find my own special person. I know it won’t be him. I just know. I only need to accept it; one day I will.

Goede voornemens. Ik moet eerlijk zijn dat ik er zelf mij aan heb laten vangen, aan die verschrikkelijke clichés. Ik zou stoppen met roken, minderen met de alcohol, meer mijn best doen voor school, zou afvallen en meer aan sport doen. Op het laatste van dat jaar moest ik met schaamrood op mijn wangen bekennen dat ik nog altijd evenveel alcohol dronk, mijn punten op school de wensen overlieten, ik 3 kilo was bijgekomen en mijn conditie nog altijd gelijkwaardig was met dat van een nijlpaard. Sindsdien heb ik een grondige hekel aan alles wat maar in de categorie goede voornemens valt. Het is één opgeblazen marketingcampagne want wat komt er voor in de reclame? Sportschoenen, nicotinepleisters, dieetpillen en ander leuks om je goede voornemens te doen slagen. Als het juli is, zijn we toch al die aankopen vergeten, net zoals die andere goede voornemens.

Daar heb ik iets op gevonden. Ik heb een ànder goed voornemen, geen goed voornemen dat normaal wordt besproken op de familiefeestjes. Ik ga genieten van het leven in 2010. Ik doe wat ik wil wanneer ik wil, waar ik het wil en hoe ik het wil. Ik wil terugkijken op 2010 en zeggen: ‘Ja, ik heb het gedaan zoals ik het wilde.’ Dus laat die feestjes, vettig eten en heerlijke luie dagen maar komen.

Ik lach. Ik krul mijn lippen naar boven en laat me toe om terug te glimlachen. Geen tranen op mijn gezicht of een gefronste blik. Geen zelfmedelijden meer, enkel maar de glimlach meer op mijn gezicht. Geen masker, maar een gemeende glimlach die straalt. Geen doffe blik meer, maar een twinkeling in mijn ogen waardoor ik weer de bruisende persoon ben van vroeger. Enkel maar de lacht op mijn gezicht.
Ik heb altijd al gelachen, ben altijd al de eeuwige optimist geweest. Liet mij het liefst omringen door mensen van wie ik hou in een omgeving vol gelach, gepraat en plezier. Ik ben altijd al iemand geweest die het altijd positief probeert te zien, aan alles zit een goede kant. Carpe diem. Want het leven zou al zo snel terug voorbij kunnen zijn. Geniet van het leven, je leeft maar een keer! Doe wat je wilt doen, spring uit een vliegtuig of ga bungeejumpen. Neem die tattoeage, je hebt maar een leven en lichaam.  Achter die regenwolken zit er heus een zon en alles komt in orde. Onkruid vergaat nu eenmaal niet. Iedereen valt als een kat op zijn pootjes terecht. Het heeft allemaal zijn zin en anders maak je het gewoon naar jouw zin.

Smile and the world will smile back.

Soothing, I’ll make you feel pure.
Trust me, you can be sure

I want to reconcile the violence in your heart.
I want to recognize your beauty’s not just a mask.
I want to exorcise the demons from your past.
I want to satisfy the undisclosed desires in your heart.

You trick your lovers that you’re wicked and divine
You may be a sinner but your innocence is mine.

Please me, show me how it’s done.
Tease me, you are the one.

De zoete geur van marihuana overheerste in de zwoele zomeravond van de eerste september, de dag waarop vele studenten naar uit hadden gekeken. De smaak van vrijheid kregen ze in hun mond, verheugend om op hun eigen benen te steen en ook om de grenzen van fatsoen af te tasten. De opwinding hing op de campus van de universiteit, de hormonen van de jongvolwassenen had bijna geen perken meer. Iedereen wist dat dit een tijd was die velen niet meer zouden vergeten, die in hun geheugen gegrift zou zijn. Ook zij wist het, toen ze voor de eerste keer haar kamer binnenkwam en grijnsde terwijl ze rondkeek. Zij ging ervoor zorgen dat de meesten deze tijd niet zouden vergeten. De opwinding in haar lichaam was niet te vergelijken met deze van haar medeleerlingen, het was iets helemaal iets anders. Het waren geen gevoelens die uitwezen dat ze de seks wilde, het was iets helemaal anders. Het zou haar in de geschiedenisboeken van de universiteit krijgen. Ook al zou het niet positief zijn, maar zou haar naam in verband gebracht worden met dood en verderf. Toch, niemand zou weten dat zij het was, niemand. Enkel degenen die zij had uitgekozen, enkel degenen zouden haar ware aard weten. Zij zouden haar naam als laatste uitspreken, haar gezicht als laatste opnemen en altijd haar herinneren. Zij zou in de onsterfelijkheid gaan door de stervenden. De adrenaline pompte door haar aderen, haar zintuigen stonden op haar scherpst. Haar blik stond gericht op de massa jongeren die buitens tonden te feesten, al gauw zou het lachen hen vergaan. Zij zouden sidderen en beven onder haar commando, zouden haar vrezen zonder te weten wie zij was. Zij zou het onzichtbare monster zijn dat hen bedreigde, het onzichtbare gezicht dat zij zo vreesden. Algauw zouden zij met angst over haar spreken en zou zij hun angst voeden. Zij zou hen laten naar zichzelf kijken met een spiegel waar niemand ooit in keek. Zij zou hen laten weten hoe verdorven zij eigenlijk wel waren, op een manier die iedereen vreesde.
Na al die jaren zou ze eindelijk zelf de touwtjes in handen nemen, eindelijk waren de rollen omgedraaid. Langzaam draaide ze de doos om die op haar vensterbank stond en opende de bovenkant. Haar handen beroerden de inhoud terwijl ze even op haar lip beet. Zij zouden eindelijk krijgen wat zij enkel maar verdienden.
Wraak.

Met een zucht kan ik alweer constateren wat ik al altijd moet constateren. Dat ieder normaal meisje die rondloopt op deze aardbol met de leeftijd van achttien jaar een vriend moet hebben. Een jongen die haar wederhelft is, haar soulmate en de prins op het witte paard. Ik mag niet mee naar de zovele dubbeldates die mijn geweldige vriendinnen organiseren of ik mag het wel maar dan zit ik de hele tijd naar romantisch geklef te kijken. Nee, dank je, ik heb ook mijn gevoelens. Of ik word meegesleurd naar een van die dubbeldates en dan word dan prompt het gespreksonderwerp. Want waarom slaag ik er niet in om net zoals de ‘normale’ mensen een vriend te vinden? Ben ik dan misschien een jaloers kreng, verschrikkelijk moeilijk om samen mee te leven of een frigide trut? Wat natuurlijk zeer bevorderend is voor mijn zelfvertrouwen en wat eindigt in denken dat ik het meest afschuwelijke, afzichtelijke monster ben dat rondloopt op deze aardbol. Terwijl ik van die kirrende vriendinnen hoor dat ze het niet snappen waarom een mooi, lief en intelligent meisje als ik nog alleen ben. Maar ik heb een verklaring.

Ik val op verkeerde jongens. Ik val op de jongen waarvan je denkt ‘Met hem is er toch ook wel iets mis.’ Dat is de jongen waar ik meestal op val. Ik val op de jongen die meestal niet aanwezig is in de lessen is en op de jongen met wie er altijd problemen zijn. Ik val op de jongen die mij sowieso laat vallen, waarvan ik weet dat hij mij pijn doet. Ik blijf altijd in dat ene feit geloven: dat hij niet de volgende verkeerde zal zijn.
Ik val op de jongen die er zogezegd wel goed uitziet, maar dan een verdraaide rotzak blijkt te zijn en ik kan er niets aan doen. Ik val op de jongen die totaal verschillend is waardoor we geen enkele band hebben. Ik val op de jongen die gewoon mijn lichaam wilt en waarvan de rest hem niets kan schelen. Dat het hem niets kan schelen dat ik iets heb zoals een hart.

Ik val vooral op die vriend van. Op die jongen die iedereen kent en waarvan je het dan moet fluisterend toevertrouwen aan die ene persoon die haar mond houdt. Waarop een ‘Toch niet hém?’ volgt die ik wel kon verwachten. Op die jongen die er geen benul van heeft en dit vooral nooit zal lezen want ik interesseer hem toch voor geen haar. Ik ben gewoon het meisje waarmee hij kan lachen, het meisje met die eeuwige lach op haar gezicht. Ik ben grappig en geen jaloerse trut die beslag op hem legt. Ik ben gewoon lieve, leuke ik. Ik lach met zijn mopjes en plaag hem met zijn stommiteiten. Ik ben gewoon dat meisje dat nuchter is wanneer hij dronken is en op wie hij dan kan steunen. Ik ben het meisje met wie hij een film kan kijken en kan wegdommelen omdat ik toch maar mij ben. Ik ben het meisje die hij doet lachen.
Ik ben het meisje van wie haar hart breekt iedere keer wanneer ik besef dat ik maar dat meisje ben.

Missing someone feels like the earth crumbles beneath you — you are falling with nothing to grab, and it comes when you don’t expect it, and it never stops coming.

Jij bent de persoon die mij door alles heeft gesleurd de afgelopen jaren, de persoon die altijd voor mij klaarstond. De persoon met wie ik kon lachen tot we begonnen te huilen en op wiens schouder ik kon uithuilen. De persoon die ik mijn diepste geheimen kon toevertrouwen en de persoon met wie ik over onzinnige dingen praatte. De persoon met wie ik op de dansvloer stond te dansen en met wie ik naar buiten ging om af te koelen.
De persoon die ik mijn beste vriendin en de persoon die ik nooit zal vergeten. De persoon die voor altijd in mijn gedachten staat gegrift.

Natuurlijk ben jij de persoon met wie ik later in een rusthuis zal zitten, misschien dat we samen zullen kaarten of bingo spelen. Of dat we onszelf volstoppen met koffie en koekjes en dan zuchten over de jeugd van tegenwoordig. En dan zal er vast wel iemand zeggen: ‘Weet je nog toen we dat deden?’ en dan zullen onze gedachten terugkeren naar die momenten. Dan zullen we beseffen dat die momenten die we hadden uniek waren, net zoals onze vriendschap. Nu wil ik je al bedanken voor de momenten die we hebben gehad en zeker nog zullen beleven.

Justine <3

Wanneer ik denk aan de tijden waarop jij en ik ooit wij waren dan komen er enkel losse flarden van herinneringen in mijn gedachten. De ene zijn al wat waziger dan de anderen, maar ze zijn er. Ze zijn onmogelijk om uit te wissen, onmogelijk om te onderdrukken.

Het eerste beeld dat ik van je heb is met je vrienden. In een donkere zaal, een fuif zoals er zoveel zijn, de spots die je verblinden en de rook waardoor je niet kon kijken. Ik draaide me om en daar was je gezicht plots. Ik kan me nog herinneren dat ik me verslikte in mijn wodka-burn en dat mijn vriendin dan bezorgd naar me keek. Ik ga nu niet oversentimenteel doen en zeggen dat het liefde op het eerste gezicht was, want dat was het niet. Onze eerste kus was niet omdat ik het niet meer uithield van verlangen om je lippen te kussen. Het was omdat die vriend van je zolang had gezeurd dat ik je moest kussen dat ik het niet meer uithield en je dan maar kuste. Ik weet nog dat mijn vriendinnen zaten te zeggen dat ik al mijn punten had en me om de hals vlogen. Ook dat mijn beste vriendin je naam vroeg en dat mijn naam in de jouwe zat. Net zoals ik nog weet dat die vriend van je steeds onze namen zei.
Die avond was misschien een van de beste uit mijn leven. Ieder moment kan ik me bijna nog herinneren, van onze eerste kus tot de afscheidskus die je me gaf.

De eerstvolgende zijn er in school. De ontmoeting terwijl je vrienden erbij waren, dat we alle twee niet wisten wat te zeggen omdat je vrienden er waren. Het naar elkaar glimlachen in de gang, het nog eens over je schouder kijken of de ander nog keek en dan lachend voor je kijken omdat je zag dat die ene ook over zijn schouder keek. De toevallige gesprekken op de trap waar we zoveel, maar toch zo weinig zeiden.

Dan kwam er die afspraak die zaterdag. Het was maar een uurtje dat ik je zag, toch betekende dat ene uurtje meer dan sommige dagen bij elkaar geteld. Het was alsof het magie was, we vertelden elkaar zoveel. Het was alsof ik alles aan je kwijt kon en dat het praten vanzelf ging. Dat ik me voor niets hoefde te schamen, dat jij door alles voor mij zou kiezen.

Ik kan nog duizenden momenten opnoemen waaraan ik herinnerd wordt bij jou.

Op zo’n moment dan vraag ik me af.

Zijn ‘wij’ ooit wel gestopt met bestaan?

Alles begon en eindigde eigenlijk bij Jonas, Jonas was de spil waarrond mijn leven draaide. Dat kan ik eerlijk toegeven, daar hoef ik mij niet voor te schamen. Hij speelde altijd een grote rol in mijn leven, Jonas in mijn leven en ik in het zijne. Het was natuurlijk, het was zo bestemd.
De hele school wist dat wij samen hoorden, Amy en Jonas. Hij leerde mij zoveel, van piano spelen tot hoe het leven zat. Ik kon niet zonder Jonas en hij niet zonder mij.
Ik hield van hem en hij van mij. Dat was mijn trots, mijn houvast wanneer het leven omgekeerd draaide. Mijn Jonas.

Jonas was zichzelf, altijd en overal. Als ik naar de kinderfoto’s van ons beiden kijk en ze naast onze tienerfoto’s leg dan zie ik het verschil wel goed. Zijn vroeger bruine haren die hij zwart had gekleurd, de bandshirts die hij altijd droeg vergeleken met de kindershirts en dan nog de gitaar waar hij de laatste tijd zo geobsedeerd van was.
Maar Jonas bleef mijn God, hij was perfect voor mij. Het was alsof we twee stukken ziel waren die elk in een ander lichaam waren gestopt, we hoorden al ons hele leven samen.
Wij twee tegen de wereld.

Onze eerste ontmoeting was in de kleuterklas, nooit zal ik het vergeten. We waren de enige kleuters die niet moesten huilen toen hun moeder wegging en we mochten als eerste de klas binnen. Op de bank gingen we naast elkaar zitten en sinds dan zijn we nooit van elkaar zijde geweken. Ook al zeiden ze dat het ongezond was om altijd met iemand van het andere geslacht op te schieten.
Al in het eerste leerjaar van de lagere school maakte de juf zich zorgen over onze vriendschap, het was ‘tegen verhouding in’ volgens haar. Maar dat mens haatte ik.
Volgens mijn moeder zou ik nooit een vriendje krijgen op die manier, dat vertelde ze mij toen ik twaalf was en ik had het ontkend. Ik kreeg massa’s vriendjes, allemaal vrienden van Jonas en hij kreeg hopen vriendinnetjes, mijn andere vriendinnen.
Maar Jonas bleef altijd mijn beste vriend, de persoon van wie ik het meest hield in mijn leven.

Tot ik besefte dat ik meer van Jonas hield dan van mijn vriendje, weken liep ik met dat vervelende gevoel rond. Ten einde raad biechtte ik alles op aan Jonas, hij had hetzelfde probleem. Vanaf dat moment waren we een koppel, beste vrienden en geliefden.
Mijn geluk kon op dat moment niet op, ik was zo gelukkig met het feit dat wij samen waren. Altijd, voor eeuwig.

Eeuwig bleef niet eeuwig, op een dag vertelde Jonas mij iets raar. Dat ik verder moest als hij ooit zou wegvallen, maar dat ik niet mocht vergeten dat hij zielsveel van mij hield. Ik kuste hem en vertelde hem dat ik ook altijd van hem zou houden. Toen we afscheid namen dan had ik niets verdacht gezien behalve toen ik mij nog eens omdraaide en ik een traan over zijn gezicht zag rollen.
Die avond vertrok Jonas. Nooit kwam hij meer terug.

De laatste keer dat ik hem zag dat was in het mortuarium, hij lag daar zo vredig en kalm. Van de verwondingen die hij had door het ongeluk waren onzichtbaar. Het leek alsof hij gewoon lag te slapen. Maar hij zou nooit meer wakker worden.

En nu zit ik hier, helemaal alleen. Terwijl de vraag door mijn hoofd speelt of Jonas wist wat er die dag ging gebeuren.
Maar dat antwoord zal ik nooit krijgen.

Iedereen heeft een geheim. Het kan een klein geheim zijn over iets dat gebeurd geweest is toen ze nog klein waren. Een kleine zonde waar niets erg aan is verbonden. Misschien vloeide het voort uit een leugentje uit bestwil, misschien is het geheim al gedeeld met iemand. Het is een kleine schande, geen schande van wereldformaat.
Er zijn mensen met een geheim dat zo verdorven is dat het ze erdoor afsterven. Dat de spijt hen langzaam verteert. Wat kan je doen wanneer je jezelf verafschuwt voor een daad die zo erg is dat je het nooit kan vertellen. Dat je nauwelijks kan denken wat je zou kunnen zeggen om je geheim te onthullen. Dat je eenzaamheid om je laat vallen, enkel om je geheim te camoufleren. Of je een beroep doet op de schone schijn om het geheim te houden.

Schone schijn, ik verafschuw schone schijn. De oppervlakkigheid waarbij je niet verder kan graven naar een motief, een drijfveer. Ik zoek het toch, maar dan blijkt het tevergeefs te zijn. Verspilling van mijn kostbare tijd. In de schone schijn is er geen plaats voor dromen, enkel voor geplande dingen. Dingen die in het rijtje passen, waag het niet over de grens te gaan van de ‘beschaving’. Ik walg ervan, ik ben het tegenovergestelde.
Ik droom, ik zweef en huppel. Ik doe dingen die het daglicht niet zouden mogen zien, die ik angstvallig geheim hou. Ik scherp mijn nagels om ze langzaam in zijn huid te duwen. Mijn hoofd tolt soms.

Dan word ik wakker, mijn mond die smaakt zoals de dorre woestijn. Mijn hoofd lijkt in twee te splijten en tolt wanneer ik langzaam uit het bed stap. Kledij ligt over de kamer terwijl een paar beelden uit de vorige avond voor mijn ogen racen. Zijn lippen die mijn nek verkennen, de champagne die hij op mijn buik giet om ze op te drinken terwijl zijn lippen mijn buik raken. Ik neem mijn kledij, kleed me snel aan en zonder de man in het bed een blik waardig te keuren loop ik de kamer uit. Terug laat ik een geheim achter.

Lore


Lore, 18 jaar. Dit alles is een hersenspinsel, een gedachte, een herinnering, een droom of een wens. Of soms gewoon onzin.

Follow

Get every new post delivered to your Inbox.